Welkom op de Website over de geschiedenis van het geslacht Haakmeester. En de mooie oude foto's van de stad Sneek (Zie links Oud Sneek) "Si Deu pro nobis, quis contra nos" Armoede in de koloniën Mijn interesse in deze toch wel unieke familienaam begon na het overlijden van mijn vader Cornelis Haakmeester. Hij vertelde graag over de familie. Mijn vaders ouders kwamen uit de provincie Drenthe. Zelf was hij geboren in Steenwijk maar hij wist dat de familie uit de omgeving van Vledder en met name Frederiksoord moesten komen. Mijn zoektocht naar het verleden begon dus in het mooie plaatsje Frederiksoord. Al pratend met de plaatselijke bevolking, werd ik bijna door iedereen verwezen naar een grote witte villa, mooi gelegen in de bossen van Frederiksoord. Hierin was gezeteldde Maatschappij van Weldadigheid 
De directeur van de Maatschappij van Weldadigheid, de heer Mensing, heeft voor ons gezocht in de archieven en kwam tot mijn grote verbazing met een flink stapeltje gezinskaarten terug. Op deze gezinskaarten stonden verschillende complete Haakmeester gezinnen tot aan begin 1800. Hier kon ik bij thuiskomst verder mee aan de slag. De informatie op de gezinskaarten was voor die tijd goed bij gehouden en ik kreeg hierdoor een vrij duidelijk beeld van het leven in de koloniën van Frederiksoord. De illusie van een rijke erfgenaam was hier echter snel voorbij; de Maatschappij van Weldadigheid was namelijk opgericht (1818-1970) door generaal Johannes van den Bosch om de steeds groeiende armoede in die tijd te bestrijden. De Maatschappij van Weldadigheid (1818 - 1970) Na de Napoleontische tijd omstreeks 1813 was er zelfbestuur in de Nederland
en kwam Koning Willem I aan de macht. Aan het begin van de negentiende eeuw heerste er grote armoede in Nederland. Met name in de grote steden was dit een ernstig probleem. De opvang van de vele armen en zwervers was meestal in handen van de kerken. Hierin kwam verandering met de komst van Johannes van den Bosch, de oprichter van de Maatschappij van Weldadigheid. Het bijzondere van de oprichting is dat er voor het eerst personen uit de bovenste sociale laag, veelal mensen van adel (zelfs Koningklijk Huis), zich actief en georganiseerd ontfermden over de laagste klasse in de Maatschappij. Er werden diverse koloniën opgericht, zo waren er Frederiksoord I, Willemsoord, Wilhelminaoord, (vrije koloniën) Ommerschans in Overijsel (dwangkolonie) opleidingsinstituut te Wateringen en de vrije en onvrije koloniën in zuidelijk Nederland (nu België) Merkdplas en Wortel. Wie kwamen er in aanmerking voor de koloniën? Dit waren vaak mensen uit alle lagen van de bevolking. Hierin wordtonderscheid gemaakt tussen landlopers, bedelaars en wezen. Overdag werkten zij op het land of in de fabrieken. Onder toeziend oog van hoevenaars op de hoeves rondom de gestichten verbouwde men aardappelen, groenten en bonen, etc. Extra opbrengst van het land was voor eigen gebruik en het was de bedoelling dat er ook een deel werd geproduceerd voor de omstreken zodat men geld kon verdienen met hun eigen producten. Dit streven werd meestal niet gehaald. Het belangrijkste voor de kolonist was, naast de basisbehoeften eten en slapen, de gezondheidzorg, het onderwijs en het geloof. Op de verschillende koloniën waren artsen die toezagen op het welzijn van de kolonisten, en die ook de rol van chirugijn en apotheker hadden. Behandelingen kwamen vaak neer op toepassing van aderlatingen en het gebruik van bloedzuigers voor het zuiveren van het bloed van de kolonisten. Het geloof speelde een belangrijke rol in hun leven, sterker nog het beinvloede het reilen en zeilen in de gehele Maatschappij van Weldadigheid. Kolonisten werden vaak ingedeeld naar hun geloof. Alleen gelovigen van dezelfde religie mochten in één zaal slapen. Het verschil in religie werd zelfs doorgevoerd in het onderwijs, in het eten (Joden) en zelfs op de begraafplaatsen. |